
| Pointe de Vouasson (3489,7m) |
|
woensdagvoormiddag, 10 november 2004 Als sportgangmaker besteed ik de laatste uurtjes van de week aan het maken van een aanbevelingsnota voor de bouw van een klimmuur op onze school. Terwijl ik wat offertes doorspartel, valt mijn oog op een foto van Kris naast het topkruis van de Pointe de Vouasson. Ik haal de duimspijkers rond de foto weg en ik trek hem van mijn prikbord. Wat een mooie herinnering aan het collegekamp van 1998.
Tram 13 brengt ons de volgende dag tot bij de gebouwen van de UN in Genève. Twee bewakingsagenten lopen ons al tegemoet om te melden dat er geen bezoekers meer binnen mogen. Gelukkig is er nog één bewakingsagent die vraagt of we voor Jan Roelants komen. We bevestigen dit en zijn zo binnen het domein waar we op zoek gaan naar deur 40. Jan is een oud-leerling van onze school, oud-leider van ons collegekamp en broer van Wim. Alec is ook oud-leider van ons collegekamp en studeert nog in Genève. Samen huren ze een modern bemeubelde flat. Jan leidt ons rond in de UN-gebouwen waar hij stage loopt. De grote conferentiezaal is imposant. Hier kunnen 2000 mensen een lezing bijwonen. Het is de grootste zaal van de UN in Genève. Alle massatoespraken worden hier gehouden, zoals de toespraak van Koffie Annan in september 2004 ter nagedachtenis van Sergio Vieira de Mello, de United Nations High Commissioner for Human Rights, die vermoord is in Irak. Anan, die een persoonlijke vriend was van de Mello gaf hier een sneer uit de pan aan het adres Bush door de oorlog in Irak als volledig nutteloos te bestempelen. Terwijl ik door de gangen kuier en de "flatscreens" tel, denk ik aan het bijbelverhaal van de toren van Babel. Als ik al die mensen met elkaar zie samenwerken en communiceren wordt het verhaal snel doorprikt. Hongerig bekijk ik zes verschillende gerechten in de vitrinekast van het UN-restaurant. Ik kies voor "jambon à l'os", een schotel die je af en toe eens in een goede berghut krijgt. We ontmoeten ook Michel Patteet, de symphatieke baas van Jan. Gezellige boel hier, maar er moet blijkbaar ook nog hard gewerkt worden en we vliegen eruit. Na twee pogingen halen we de lift en verlaten we de UN via deur 40. Tram 13 brengt ons in het centrum van Genève. Onze zoektocht naar "free samples" in het chique shoppingcenter Globus draait op niets uit. Dan maar een pintje in een cafeetje in het oude gedeelte van Genève.
Om 18 uur trachten we ons een weg te banen door Genève, pikken we Jan op, wurmen we ons door een file in Lausanne en scheuren we door de haarspeldbochten (al vallen die best mee) richting Arolla. Omstreeks 21 uur worden we hartelijk begroet door Mireille en Urbain in Pension du Lac Bleu. Dit Vlaams koppel nam enkele jaren geleden dit hotel-restaurant over en runt het met veel gastvrijheid en zin voor lekkere keuken en bieren. Als je weet dat de Zwitsers hier eens goed komen eten en hun pint komen drinken, weet je genoeg. Het pension is genoemd naar een meertje dat 260m hoger ligt en een attractie is in de vallei. Het water is diepblauw en ijskoud omdat het ondergronds aangevoerd wordt.
Na een lekkere koude schotel drinken we nog enkele pintjes. Vlaamse gezelligheid in Arolla.
De ochtenddouche is echter lekker warm! Na een uitgebreid ontbijt vertrekken we met de auto van La Gouille naar Arolla. Geladen als muilezels volgen we het paadje achter Centre Alpin naar Pra Gra. Ik heb het met Wim over het constante "heli-gevlieg" tijdens deze periode van het jaar, even frequent als in de zomer. De hoeveelheid sneeuw valt best mee: een pelletje van enkele centimeters. Sneeuwschoenen blijven dus aan de rugzak. Dit komt ook vooral omdat we tegen zuidhellingen omhoog lopen. Op de noordhellingen ligt een tiental centimeter meer sneeuw. Er lopen geen voetsporen van voorgangers in de sneeuw. Het lucht me een beetje op, want alleen in de hut zijn, is zoveel mooier dan met verschillende groepen. Het maakt het ook plezant om het weggetje naar de hut te vinden. Hier en daar merk ik dat de gardien wat veranderingen heeft aangebracht. Koppig vervolg ik dan via de oude en wat mij betreft mooiere weg. Na een uurtje of drie zwoegen, bereiken we de hut. Wie hoopte even welverdiend te kunnen neerploffen en een tas thee of een heerlijke soep te bestellen, heeft het mis. De hut wordt sinds september niet meer bewaakt door een gardien.
Heel even genieten we van onze tocht, de hut en de omgeving. Maar snel krijg je het koud en gaat de mens over op zijn overlevingsinstinct. Alec en Jan gaan op zoek naar water en verse sneeuw. Wim en ik klieven het hout, schermen de keuken af van de eetplaats met dekens (de ruimte is immers te groot om warm te krijgen). Wim laat het kacheltje heerlijk branden. Onze sneeuwvoorraad wordt in de loop van de namiddag toereikend om twee dagen te overleven. Het dekensysteem werkt goed en het wordt gezellig warm in de keuken. We zetten er een tafeltje en vier krukjes en we drinken na heel wat gezwoeg enkele koppen heerlijke thee.
Terwijl we ons avondmaal voorbereiden, lopen we af en toe naar buiten voor een blik op de schitterende zonsondergang.
Koken, het is niet iedereen gegeven. Ik roer wel eens graag in een pot maar ik krijg nooit alles klaar of warm op hetzelfde tijdstip. Stuntelig assisteer ik de broers Roelants bij de bereiding van het avondmaal. Oplossoep, snelkookrijst, currysaus, ananas en zwanworstjes zijn ingrediënten die makkelijk te vervoeren zijn naar een berghut, snel te bereiden en nog wat voedzaam ook. Ik hou het even vol of beter gezegd zij houden het even vol, maar na enkele minuten wordt er een videoboodschap ingesproken met de boodschap: "haal de Jerre uit de keuken". Ik ga maar aan tafel zitten en beloof me straks nuttig te maken met wat hout te klieven. De grote hoeveelheid eten gaat vlot binnen, aangevuld met een geïmporteerd Chileens wijntje.
De temperaturen dalen nu peilsnel ver onder het vriespunt. Terwijl we de sterren aanschouwen ontdekken we een lichtje op de noordoostgraat van de Mont Brulé. Ik weet zeker dat het geen vliegtuig is en dat het van de graat komt. We weten van Urbain dat er nog Vlamingen in de Refuge des Bouquetins zitten, maar deze zouden doorsteken naar Cabane de Bertol. We schijnen met onze hoofdlampen in de richting van Mont Brulé. We zien het licht op de graat nog verschillende keren, maar het is geen noodsignaal. Verstijfd van de kou gaan we terug naar binnen.
Om middernacht en ook enkele uurtjes later sta ik op om het kacheltje te voorzien van hout. Ook Wim komt om 5 uur nog eens uit zijn nest, zo kunnen we morgen warm ontbijten en vertrekken. Ik schrik een beetje van de wolken die in het zuiden over de toppen hangen wanneer ik mijn hoofd voor het eerst die morgen buitensteek. Ze hangen in dichte pakken op een hoogte van ongeveer 3000 meter. Het is 9 uur als we vertrekken naar de Pointe de Vouasson: over het graatje, dan afdalen tot aan een riviertje en dan terug omhoog tot op de rug van een grote zijmorene van Glacier Supérieur des Aiguilles Rouges. We volgen de blauwwitte markeringen tot de morene overgaat in een groot sneeuwveld. Hier doen we onze sneeuwschoenen aan. We merken de steenmannetjes op die ons in een geul naar Col de Darbonneire brengen. Heel even verschijnt de top van de Vouasson. Ik loop over een sneeuwheuveltje om de weg ernaartoe te bekijken. Meer dan enkele seconden krijg ik niet. Alles wordt terug wit. Toch binden we ons in. Maar ver geraak ik niet. Het is een totale "white-out". Ik wacht zolang tot ik het koud krijg en dan maar weer even verder op gevoel en met de kaart. Als ik achter me kijk zie ik Wim, die de cordée sluit, amper nog staan. Weer sta ik stil. Dan maar op kompas. Na twee touwlengtes zakt de sneeuw weg onder mijn voeten, ik verlies mijn evenwicht en val op mijn voeten. "whhhoeffff". Ik schrik op en kijk naar Jan, die achter me loopt. Ook hij heeft de sneeuwplaat voelen wegzakken en het geluid gehoord: waarschijnlijk een onstabiele sneeuwlaag onder onze voeten. Gelukkig maar bewust kozen we een goede route over zachte hellingen niet steiler dan 30°, anders was de plaat losgekomen en beginnen schuiven, een lawine dus. We besluiten dan maar om te keren, want we weten dat het vervolg van de route over meer steile sneeuwhellingen loopt en de zichtbaarheid verbetert nog steeds niet.
Ik haal mijn foto van Kris naast het topkruis in 1998 uit mijn zak en steek hem tussen twee zware stenen op de Col de Darbonneire. Ik maak er een klein steenmannetje bovenop. Deze hoop ik met ons collegekamp 2005 mee naar de top te nemen en daar achter te laten. De afdaling geeft ons vleugels. Op sneeuwschoenen en door een pak versgevallen sneeuw naderen we snel de berghut. Ik merk dat er meer luiken dicht zijn dan deze morgen. Zou er iemand in de hut zijn? We hebben er nog persoonlijke spullen liggen en we moeten nog wat opruimen. Daarvoor hebben we ook de omweg terug naar de hut gemaakt en zijn we niet verder afgedaald langs het riviertje richting Lac Bleu en La Gouille .
Op de parking zien we Urbain bij een groepje Vlamingen staan. We merken snel dat er iets aan de hand is. Urbain zegt ons dat er een reddingsactie bezig is op de noordoostgraat van de Mont-Brulé. Na een verhaal van één van de acht klimmers weten we wat er gebeurd is. De twaalf Westvlaamse VBSF-ers organiseerden een "shortclimb" in de Alpen. Ze verzeilden in Refuge des Bouquetins en van daaruit gingen er acht klimmers langs de westgraat tot Pointe Kurz, een soort voortop van de Mont Brulé en vier klimmers verkozen de noordoostgraat. Deze keuze bleek verkeerd te zijn want de vier raakten op gegeven moment niet meer voor of achteruit. Ze wisten de reddingsdiensten te bereiken maar Air-Glaciers kregen de klimmers niet van de berg. Er werden gidsen gedropt maar zij raakten ook niet tot de klimmers. Een koude nacht op de berg voor klimmers was het gevolg. Ik denk terug aan de lichtjes die we op de graat zagen vanuit onze cabane. De volgende dag hebben de gidsen de onfortuinlijke klimmers kunnen redden over de westgraat van de Mont-Brulé. Hier werden ze opgepikt door Air-Glaciers en naar het ziekenhuis van Sion overgebracht. Later sprak ik nog in ons pension met één van de klimmers. Buiten één klimmer met wat bevriezingsverschijnselen waren ze ongedeerd. Dat heeft zeker te maken met hun goede beslissing om bivakzakken mee op tocht te nemen.
Als je het gidsje van deze regio openslaat bij de Mont Brulé dan loopt de normaalroute over de westgraat (WNW) en Pointe Kurz. Het is een PD (peu difficile). Als je afgaat op de quotering is de noordoostgraat de makkelijkste, F (facile). Maar als je de beschrijving leest, heeft men het over rochers très délités. In dit gebied van de Alpen zit een band met slechte rots. Meestel bestaand uit gneiss. Dit vormt echt een groot gevaar voor elke klimmer en hier dien je veel rekening mee te houden hoe gemakkelijk de route ook is.
Met Wim wandel ik nog tot Arolla om zijn auto op te pikken terwijl de reddingswerkers en gidsen met helikopters de Vlamingen evacueren. Onze uitstap loopt nu echt op zijn einde. Een warme douche en een heerlijke raclette voegen er nog dosis genot aan toe.
De kers op de taart hebben we niet kunnen zetten maar als de taart zo lekker smaakt is de kers overbodig met andere woorden de top is niet belangrijk, wel de weg erheen. En deze leidde dit keer langs Genève, Pension Lac Bleu en een schitterend verblijf in Cabane des Aiguilles Rouges. Dit smaakt naar nog.
|
De Route
|
|
|
Nuttige links
|
|
|
|
Foto's bij verslag zijn van Jan en Wim Roelants. |
|
Twee weken na het publiceren van bovenstaand artikel verscheen een verslag
van Maarten Muylle op de
BCN-website: Le bivouac 2004-12-20
Tekst:
Maarten Muylle Het is zaterdagmorgen rond 10.30, de wind waait hard en stuifsneeuw bedelft ons regelmatig. Ik vraag me af wat we de voorbije 15u of zo op een sneeuwrichel van 30 cm hebben zitten doen, en vooral hoe we daar zijn terecht gekomen. Interessante vraag en we hebben toch tijd genoeg om er eens over te denken. Het is ongeveer het enige waar we overschot van hebben, tijd.
Het klimmen is leuk, intensief en af en toe redelijk expo. Na twee
steilere passages komen we op de graat en we zijn klaar om door te stomen.
We worden echter al gauw op de linkerflank gedwongen door moeilijke
rotsbanden. Verwonderlijk is dat niet. Alle moeilijkheden neem je op
links, volgens de topo. Ik probeer de weg te banen van de ene couloir
naar de andere. Nu eens naar links, daarna zo goed mogelijk terug naar de
graat. Maar de couloirs zijn rot. Ik klop vaak een halve meter sneeuw weg
om tot de vaststelling te komen dat de ondergrond gevormd wordt door losse
stenen. De graatbeklimming heeft zich langzaam omgetoverd tot geklauter
tussen losse stenen en poedersneeuw. En de uren? Die tikken onverbiddelijk
verder. 3500m, 85m onder de top. We staan in een gat op de graat. Dat de dag veel langer zou duren dan verwacht, hadden we al begrepen. We staan voor een opeenvolging van dalles met een dun laagje sneeuw op en zonder zichtbare mogelijkheden om zekeringen aan te brengen. Ik doe een kleine poging, maar sta rap terug bij de rest. Het risico is te groot. Op dit moment krijgen we via walkie talkie een inkomend bericht vanuit de Bouquetin. Of alles goed gaat? De rest is al een eind terug in de hut en iedereen begint zich zorg en te maken. Hebben we een helikopter nodig? Het woord slaat in als een bom. We zijn echter nog niet klaar om op te geven. We besluiten nog een
poging te doen om juist voor donker op de top te geraken. We denken dat er
een eind verder in de Oostflank een couloir zit die ver doorloopt en
besluiten die te gaan bekijken. Een lastige traversée van ongeveer 100m
brengt ons naar de voet van… niets. Game over. 21u. De helikopter komt eraan! We springen op van onze schuilplaatsen, waarin we ons de voorbije twee uur genesteld hadden. Als het gepermitteerd is: een helikopter met een zoeklicht die door de nachtelijke bergen op zoek gaat naar je, is een indrukwekkende ervaring die je hopelijk nooit meemaakt. We proberen de aandacht te trekken en steken al het materiaal in onze rugzakken. We zijn vol goede hoop dat ze ons binnen de kortste keren uit onze benarde situatie zullen halen. Na verschillende cirkels te maken, verdwijnt de vliegende redding. Ik maak contact met de hut. Sorry jongens, er is teveel wind. Ze komen morgen terug. Probeer regelmatig te bewegen en wakker te blijven. Goede moed. Ik moet even slikken en geef het nieuws door aan de anderen. Ik spreek af om telkens op het uur contact te maken.
Even een inventaris maken van wat we hebben: er zijn 3 bivakzakken, iedereen heeft wat extra kleren, er is nog een beetje thee en wat mondvoorraad… We fixeren een lange touw tussen twee punten en beginnen ons te installeren achter een muur die ons van de wind moet beschermen. We hebben 30 cm om te zitten, en willen of niet, daar moeten we het mee doen. Kenneth en Alex delen een bivakzak, Wendy en ik een andere. De derde zak snijden we open, zodanig dat we die over ons hoofd kunnen leggen. Klaar voor een lange nacht. We komen te weten dat er twee gidsen op weg zijn langs de West-graat met thee en warm eten. Als dat geen roomservice is. Voor de rest doen we wat een mens kan doen in een dergelijke situatie: niets, en lachen. We houden elkaar bezig met verhaaltjes, moppen, en ‘wie is het?’. De uren gaan snel voorbij. Rond 2u, denken we, horen we mensen boven ons. Daar komt het avondmaal! Maar de gidsen stranden 65m boven ons. Niet verwonderlijk boven die serie van dalles, dus. We zien hun lichten, horen ze onder elkaar praten, en zien ze omdraaien. We vermoeden eerst dat ze een andere weg gaan zoeken, maar na een eindje hebben we door dat ze niet terugkomen. Dat laatste vooral als ik even over de graat richting hut naar beneden kijk en ze over de gletsjer zie lopen. 10.30u. Ik zit samen met Wendy onder de bivakzak te rillen
en pogingen te doen om niet in slaap te vallen. Rond 5.30u is de wind
wispelturig geworden. Een deel van de bescherming van onze muur is dus
weggevallen en dat maakt de ochtendkoude nog een beetje kouder. We worden
regelmatig bedolven onder stuifsneeuw en er is geen zicht meer om van te
genieten. Rond 7.30u staan we klaar voor de helikopter: alles in de
rugzak, rugzakken samen gebonden, gordel duidelijk zichtbaar. Alles
volgens de instructies die we gekregen hebben. Maar het weer is
toegetrokken (vooral rond Mont Brulé, lijkt ons) en het is wachten op een
opklaring van 10 minuten. Ze zijn van plan om ons met de kabel op te
pikken en ons onmiddellijk door de vallei naar beneden te vliegen! De
opklaring zal er niet komen, en na anderhalf uur halen we de bivakzakken
opnieuw boven. Niet veel anders te doen dan ons opnieuw te installeren en
te wachten. Volgende plan (we zijn de tel kwijt, denk ik): er zijn 5 gidsen onderweg via de west-graat. De hoop zijn we nog niet verloren, maar voor de rest zien we wel wat er gebeurd. En het gebeurt om 13u. Ze geraken tot bij ons!! Veel tijd om te keuvelen is er niet. De wind op de west-graat haalt snelheden van 80km/u. We moeten dringend naar beneden. Ze helpen ons voorbij de moeilijke passage met behulp van een vast touw en zekering van boven uit. En dan zijn we er uiteindelijk, op de Mont Brulé, ergens 24 uur of zo na te beginnen klimmen. Maar de weersomstandigheden en de tijd laten niet toe om er uitgebreid van te genieten. We beginnen de afdaling in twee cordées. We struikelen vaak. Na een kleine afdaling krijgen we een hapje te eten en drinken. Daarna moeten we over Pointe Marcel Kurz om de uiteindelijke afdaling in te zetten. Onze rugzakken hebben we moeten achterlaten, en in de haast zijn we vergeten de brillen mee te nemen. Wind en stuifsneeuw beukt ongenadig op onze ogen in. Wenkbrauwen en wimpers zijn binnen de kortste keren verijst. In de afdaling blijven er maar gidsen bij komen. Nu eens twee, dan nog eens twee… We lopen op de laatste restjes, tot het eindelijk zover is. De helikopter kan landen op de Haute Glacier d’Arolla. In zeven haasten worden we ontdaan van ons materiaal en niet veel later zitten Kenneth, Alex en Wendy in de helikopter richting Arolla. Mijn luchtdoop volgt niet veel later. Een tweede vlucht brengt ons naar het ziekenhuis om de schade op te nemen. We kunnen maar zo gelukkig zijn dat die schade heel beperkt is gebleven. Kenneth en Wendy hebben vrieswonden opgelopen aan de vingertoppen en aan hun wang. De kin van Alex wordt, na enige discussie, genaaid. Ik ga op zoek naar een sigaretje… 23u. We zitten met ons vier in een kamer in le lac Bleu, waar we met de hele groep verblijven. We drinken de fles cider uit die ik de week ervoor in Chamonix gekocht had. Ondertussen hebben we iedereen uitgebreid kunnen knuffelen en hebben we ons te goed kunnen doen aan een heerlijke raclette. En nu zitten we daar, blij dat we de nacht nog eens met z’n vieren kunnen doorbrengen, maar nu in veiligheid, in de warmte en zonder honger. Een onbeschrijfelijke dank aan alle gidsen van de streek, het volledige team van Air Glacier en iedereen die zich ingezet heeft om ons veilig beneden te krijgen. Bedankt aan Andy, Bart, Thomas en alle mensen van de WBV om ons door te nacht te helpen. Bedankt Kenneth, Wendy en Alexander... |
Kies een nieuwe beklimming uit volgende categorieën:
Reacties, vragen en suggesties i.v.m. deze site zijn altijd welkom! Gewoon even mailen!
Copyright © 1998 - 2008 Jeroen Caers Laatste update: 30 maart 2010 |