La Ruinette (3875m)

  

vrijdag, 27 juli 2001  

In Whympers voetsporen.

Veel te laat vatten we de wandeling aan naar Cabane de Chanrion.  We lopen ten westen van het Lac de Mauvoisin, een groot stuwmeer, naar de hut.  Dit scheelt in tijd enkele minuten ten opzichte van de pas aan de andere kant van het stuwmeer.  Willen we nog een warme avondmaaltijd dan moeten we ons haasten.  Cabane de Chanrion is niet bepaald mijn favoriete plek om de nacht door te brengen. 

In 1995 lag de hut op onze weg naar Zermatt tijdens de Haute-Route.  Ik maakte toen voor de eerste keer kennis met de gardien.  Enkele dagen later passeerde ik er opnieuw met dertig kampdeelnemers tijdens een driedaagse tocht.  Ieder had zelf een plastiek zakje met koude rijst en groenten bij zich.  ’s Avonds kregen we 22 slaapplaatsen toegewezen.  Vier jaar later, in 1999, kregen Wim Roelants en ik heel onze etensvoorraad terug.  De gardien weigerde de boel op te warmen.  Wim dumpte de boel in de nieuwe toiletten van de hut.  Wim was altijd wel voor zulke ondernemingen te vinden.

Spijtig dat deze kille gardien er de sfeer verpest, want de hut heeft alles om er een nooit te vergeten verblijf te hebben te midden van een prachtig natuurreservaat.  Daarnaast straalt het bouwwerk veel warmte en charme uit en ligt het op één van de meest memorabele en drukke verbindingen van de Alpen: de Haute-Route.

We staren samen naar een kudde van wel 100 koeien.  Eén voor één worden ze voor de mobiele melkmachine geplaatst.  Deze melkmachine is gemonteerd op de laadbak van een mini vrachtwagen.  Zeven koebeesten kunnen terzelfder tijd gemolken worden.  Twee boeren zijn continu met het melken bezig.  Een andere Zwitserse boer brengt de nog te melken koeien naar de machine.  Hij heeft een klein papiertje in zijn rechterhand.  Blijkbaar wordt er een volgorde gehanteerd.  Even vind ik het heel bizar dat je al die beesten kent.  Maar later begrijp ik het wanneer ik zelf vier schapen koop.  Die beesten hebben elk hun eigen uiterlijke kenmerken en karaktertjes.  Net zoals bij mensen.  In 1999 zag ik dezelfde boer in dezelfde alpenweide, met hetzelfde melkmachientje en volgens dezelfde rituelen zijn koeien melken.  Onze gewonnen tijd tikt weg.  We draaien ons weg van het melkgebeuren en spurten naar de hut.  Even nog houden we halt als we de top van de Ruinette kunnen aanschouwen.  Hij lijkt zo onaantastbaar ver weg.  De hut is dit niet meer, want achter de volgende heuvel wappert reeds de Zwitserse vlag. 

 

5 juli 1865.  Edward Whymper, Engels journalist, was vanuit Chamonix te voet op weg naar de Matterhorn.  Op zijn tocht naar Zermatt beklom hij onder andere ook de Ruinette.  We lopen vanaf nu in zijn voetsporen:

“All of the excursions that were set down in my programme had been carried out, with the exception of the ascent of the Matterhorn, and we now turned our faces in its direction, but instead of returning via the Val Tournanche, we took a route across country, and bagged upon our way the summit of the Ruinette.  We passed the night of July 4 at Aosta, under roof the genial Tairraz, and on the 5th went by the Val d’Ollomont and the Col de la Fenêtre (9140 feet) to Chermontane.  We slept that night at the chalets of Chanrion (a foul spot, which should be avoided), left them at 3.50 the next morning. ”  Scrambles amongst the Alps; Edward Whymper; Ten Speed Press; 1871.

Rond 5.00 uur verlaten we de hut.  We hebben een uur achterstand op Whymper in die tijd.  Het is ijzig koud.  We dalen af naar Dyure du Brenay, een rivier dat het smeltwater van Glacier du Brenay naar Lac de Mauvoisin voert.  Stilletjes ontwaakt de bergwereld.  Langs kettingen klauteren we terug uit de brede maar steile en brokkelige rivierbedding tot op Col de Tsofeiret (2620 m).  Ik bereik weer het breekpunt met Wim van 1999.  Hier besloten we toen af te dalen en niet naar de top te klimmen.  Tot zomer 2003 raakten we samen niet veel hoger meer dan de zeespiegel.

 

 

 

Ik volg de sporen van Vinnie, die over deze van Whymper lopen, opwaarts richting Col de Lire Rose.  De steenbokken springen voor ons weg terwijl we hoogte blijven winnen over de glooiende alpenweide vol met Edelweiss.  Maar stilletjes aan verslapt de hellingsgraat en versmalt de weide.  En dan plots staan we voor een gigantische kuip in het landschap vol gestopt met sneeuw en rotsen.  Rechts van ons loopt een graat 270 m omhoog.  We staan op 3115 m hoogte, op Col de Lire Rose.

Via de graat klauteren we naar Glacier de la Ruinette.  Deze graat bestaat uit grote blokken die stevig vastliggen.  Een gids klimt vóór ons met een vader en diens kinderen als gevolg.  We wisselen geen woord.  We bereiken vlot de gletsjer, maar we besluiten nog even de graat ten westen van de gletsjer te volgen tot op een plateautje (3470 m). 

 

 

Hier binden we onze stijgijzers aan, want de koude heeft ervoor gezorgd dat de sneeuw op de gletsjer nog erg hard is.  De gletsjer is ongevaarlijk.  Hij stijgt erg licht en bevat op ons traject erg weinig kloven.  Alleen de laatste meters naar de westgraat zijn vermoeiend.  De randspleet is niet zichtbaar en steken we dus vlot over.  Mijn armen omsluiten een rotsblok.  Ik hijs mezelf naar boven.  Wanneer mijn hoofd boven de rotsblok komt, schrik ik van de ijle omgeving erachter.

 

Ik kijk recht in de 500 m hoge noordwand van de Ruinette.  Het duurt een aantal seconden vooraleer ik aan de volgende opwaartse beweging toe ben.  Uiteindelijk zet ik me neer op de graat en laat Vinnie veilig tot bij me klimmen.  Ook hij geniet van de steile noordwand waarop we een stoeltje hebben gevonden.  Na overleg blijven onze stijgijzers op de graat achter.  De tijd begint te dringen.  We klimmen over de graat voorzichtig verder.  Vaak is hij maar een schoendoos breed.  De moeilijkheidsgraad is II.  In het bijbeltje wordt deze tocht als “facile” aangegeven.  Dat vind ik toch een beetje te gemakkelijk.  Ook uit Whympers beschrijving kunnen we deze lage moeilijkheidsgraad afleiden:

  

 

“There is not, I suppose, another mountain in the Alps of the same height that can be ascended so easily.  You have only to go ahead: upon its southern side one can walk about almost anywhere.”

Blijkbaar heeft Whymper slechts een beperkte kennis van de bergen in de Alpen.  Zo zijn er verschillende andere bergen die gemakkelijker te bestijgen zijn dan de Ruinette en met dezelfde of zelfs meer hoogtemeters.  Denken we maar aan Alphubel, Bishorn en de Breithorn.  Maar ook de normaalroute van de Mont-Blanc lijkt me technisch minder moeilijk.  Je kan Whymper echter deze uitspraak niet verwijten.  Wij, moderne alpinisten, hebben bronnen in overvloed om van elke berg een perfecte technische steekkaart te ontdekken.

 

Aan de voet van de Ruinette en dus 500 m onder onze voetzolen, zien we ons tafelgezelschap van gisterenavond in de Cabane de Chanrion.  Acht kleine Hollanders en een kille Oostenrijkse gids.  Ze volgen het spoor over Glacier du Giétro tot aan Cabane des Dix.  Hun zoveelste traject van de Haute Route.  Vanuit Cabane de Chanrion zijn er twee mogelijkheden.  Je gaat naar Cabane des Dix en je steekt de volgende dag over de Pigne d’Arolla door naar Cabanes des Vignettes, of je gaat onmiddellijk tot Cabanes des Vignettes over de 8 km lange en saaie Glacier d’Otemma.  De eerste optie is dus zeker de mooiste maar ze vraagt een extra dag in je schema.  De groep vordert wel tienmaal zo snel over het ongevaarlijke voedingsgebied van Glacier du Giétro dan wij over de smalle, maar vrij betrouwbare graat. 

In zeer doenbare tijdspanne overbruggen we de 125 hoogtemeters en 200 lengtemeters over een zeer ijle strook rots.  Een prachtig zwart gietijzeren kruis geeft aan dat we 3875 m boven de zeespiegel staan.  De vreugde is erg groot.  De onaantastbaarheid van de berg ebt weg.  Het respect voor deze top wordt met de seconde groter.  We hebben niet de berg overwonnen maar onszelf.  Na wat emotie is er plaats om te genieten van het panorama rondom.  Ook Whymper merkte dit natuurschoon op:

 

 

“Though I speak thus slightingly of a very respectable peak, I will not do anything of the kind in regard to the view which it gives.  It is happily placed in respect to the rest of the Pennine Alps, and as stand-point it has not many superiors.  You see mountains, and nothing but mountains.  It is a solemn –some would say dreary- view, but it is very grand.  The great Combin with its noble background of the whole range of Mont-Blanc, never looks so big as it does from here.  In the contrary direction the Matterhorn overpowers all bedides.  The Dent d’Hérens, although closer, looks a mere outlier of its great neighbour, and the snows of Monte Rosa seem intended for no other purpose than give relief to the crags in front.  To the south there is an endless array of Becs and Beccas, backed by the great Italian peaks, whilst to the north mont Pleureur holds its own against the more distant Wildstrubel.”

 

  

Het maakt me koud vanbinnen wanneer ik 136 jaar later op Whympers plaatsje zit en hetzelfde panorama voor de ogen krijg.  Deze wereld moeten we beschermen. 

De klok tikt tegen elven aan als we de afdaling inzetten.  We hebben bijna evenveel tijd nodig om de graat af te dalen dan hem op te klimmen.  De Glacier de la Ruinette nemen we in vijfde versnelling dalwaarts.  In plaats van naar punt 3470 m te lopen, draaien we eromheen en komen we rechtstreeks op de graat naar Col de Lire Rose uit.  Verscholen tussen enkele grote rotsblokken ontdoen we ons van klimtouw, gordel en ijzerwaren.  Met het uittrekken van het beveiligingsmateriaal groeit het besef dat onze vakantie erop zit.  Wanneer ik de zesendertigste foto van mijn laatste diafilmpje optrek, flitsen al een aantal beelden van de voorbije weken door mijn hoofd.  De Ruinette is de kers op de taart.  Maar ze ligt er nog niet helemaal op.  Er wachten nog 1486 hoogtemeters die we moeten dalen.  Na enkele minuten over de graat ben ik het al “zo beu als koude pap”.  Ik zoek naar snellere afdaalmogelijkheden van deze rotssoep.  Op hoogtelijn 3300 sla ik rechts af en zoek ik een weg over de losse blokken naar de kuip achter Col de Lire Rose.  Onder me ligt een sneeuwveld waarin ik een snelle maar veilige weg naar beneden zie.  Mijn voetzolen rollen over de kleine, losse keien.  Mijn zwaartepunt leunt naar achter, tegen de bergwand aan.  Ik hou mijn adem in want hier beginnen rollen zou een te vlugge afdaling teweegbrengen.  Wanneer ik mijn hielen in de sneeuw plant, klinkt er een vloek door Val des Bagnes.  De sneeuw is keihard bevroren en mijn snelle en veilige afdaalplannen zijn naar de maan.  Vinnie staat nog op het onstabiele rotsstuk boven het sneeuwveld.  Ik bovenaan het keiharde sneeuwveld als een vliegtuig dat aan het begin van de startbaan staat.  Mijn voeten staan mooi parallel maar de vlucht stel ik graag nog even uit.  Startbaan in slechte staat.  Overal knipperen rode lampjes.  Vinnie vraagt of ik terug wil taxiën naar de graat maar daar heeft de boordcommandant ook geen zin meer in.  Ik wil voor het duister neerstrijken in een gezellig hotelletje en dus geen tijd verliezen.  Mijn motoren komen op gang.  Zeer traag begint de vlucht.  De startbaan wordt elke stap goed geïnspecteerd.  Vinnie taxiet zijn toestel naar het begin van de startbaan.  Mijn vertrouwen in het terrein vergroot elke dalende meter.  Plots zak ik door de harde laag.  De stabiliteit vergroot exponentieel.  Mijn toestel krijgt meer vaart.  Een voorspoedige vlucht ligt in het vooruitzicht.  Ik geniet.  Vinnie staat bovenaan het ijsveld en krijgt nu ook groen licht om te vertrekken.  Met dezelfde snelheid en voorzichtigheid werkt hij zich een weg naar beneden.  Nadat we veilig de col bereiken zetten we onze lange vlucht verder.  Het is een lange afstandsvlucht en onze benzine raakt stilaan op.  We tanken regelmatig bij met water uit de bergriviertjes die onze weg kruisen.  Naast elkaar, soms achter mekaar met een aantal meters tussen dalen we naar de stuwdam van Mauvoisin.  Deze keer nemen we de route langs de oostkant van het stuwmeer.  Niets zeggend maar genietend van alle mooie momenten en afziend van alle geleverde inspanningen vorderen we langzaam.  Om 17.30 uur bereiken we mijn autootje.  Met een zucht van opluchting ploffen we neer in de voorste zetels.  Stilletjes laat ik het autootje over het fel kronkelende weggetje naar beneden bollen.  Om 17.55 uur kopen we enkele minuten voor sluitingstijd in een kruidenierswinkeltje in Fionnay elk een fles Sinalco-limonade en een pot yoghurt.  Ik stel Vinnie voor even na te vragen of we in het dorp kunnen overnachten.  Na enkele minuten sta ik met de eigenaar van een mooie dortoir terug bij Vinnie.  Hij toont ons de slaapplaatsen.  Heerlijk.  Na een sterke maaltijd op het terras van het pensionnetje kruipen we onder de wol voor een laatste Zwitserse nacht.

 

 

De Route

 

Vertrekpunt: Cabane de Chanrion

Tijd: 5 uur voor de beklimming.

Eerste beklimming: 6 juli 1865, Edward Whymper met Christian Almer en Franz Biner.

 

Een prachtige en erg gevarieerde beklimming zonder veel objectieve gevaren en met een stukje Alpiene geschiedenis.  Verlaat tijdig de hut want de lengte van deze tocht is niet te onderschatten!

 

 

 

Kies een nieuwe beklimming uit volgende categorieën:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties, vragen en suggesties i.v.m. deze site zijn altijd welkom!

Gewoon even mailen!

jeroencaers@gmail.com


Copyright © 1998 - 2008  Jeroen Caers

Laatste update: 30 maart 2010