Pigne de la Lé (3396,2m)

   

8 juli 2001

Dark sky 

‘Le Matin’ schrijft: "De Belgische syndicaten betoogden donderdag in Zurich om Corti te vragen respect te hebben voor de getekende contracten met Sabena.”  Ik schrik van de foto naast het artikel.  Ik kan niet akkoord gaan met deze vorm van protest.  Over een Zwitserse vlag rijden is volledig naast de kwestie.  Je mag Swissair niet veralgemenen met het Zwitserse volk.    Een auto over een Swissair-airbus had me waarschijnlijk minder wakker geschud al versta ik de woede van de syndicaten, bedienden en arbeiders van Sabena. 

 

Vier maanden later (7 november 2001) wordt de allerlaatste Sabena-vlucht ingehaald. 


De laatste Sabena-vlucht wordt ingehaald op 7 november.

De doodsstrijd van Sabena in 2001 is niet alleen te wijten aan de slechte resultaten en de slechte conjunctuur. Vooral een vrijage met minderheidsaandeelhouder Swissair breekt de maatschappij zuur op. Wanneer de twee elkaar vinden, is het liefde op het eerste gezicht: Swissair is blij met elke partner om uit de te kleine nationale markt te breken en Sabena voelt zich veilig in de armen van een kapitaalkrachtige vrijer. En ja, kort nadat de twee zich met elkaar verbonden hadden en het huishouden eens flink uitgemest werd, beleeft Sabena enkele gouden jaren. Er worden zelfs uitbreidingsplannen in het gelukkige gezinnetje gemaakt. Het dure levensonderhoud noopt echter alweer tot een extra knip op de portemonnee. Het zit partner Swissair ook niet mee, hij verliest veel geld en ziet Sabena ook nog eens zoveel verliezen. En voor het eerst denkt Swissair aan een leven zonder Sabena. Trouw in goede en slechte dagen kennen luchtvaartmaatschappijen niet. Er komen een paar nieuwe huwelijksconsulenten aan te pas, maar Swissair lijkt niet van zijn stuk te brengen: Sabena moet eruit, terwijl die belooft haar leven te beteren en fors te zullen besparen. Maar dat loopt niet van een leien dakje. En terwijl Sabena zichzelf nog maar eens een grote besparingsronde probeert op te leggen, steekt Swissair in een wanhoopsdaad Sabena in de rug alvorens schijnbaar zelfmoord te plegen. Waarop Sabena uiteindelijk ook ten onder gaat. Misschien kan zij in enige mate doorleven in één van haar dochters.

 

Vandaag staat de aanloop naar de Mont-Blanc op ons programma.  We vluchten echter niet naar Frankrijk maar we blijven in het land met de roodwitte vlag.  Dark sky.  Zo’n slecht weer woedt het hardste op de hoogste toppen.  Het is dus waanzin hier naartoe te trekken.  Pigne de la Lé biedt een goed alternatief.  Met zijn 3396 hoogtemeters heeft deze berg veel minder last van het slechte weer en de gevolgen hiervan zoals sneeuwval. 

Het doet deugd Val d’Anniviers binnen te rijden.  Het thuisgevoel is sterker dan in het Saastal.  Wanneer we door de hoofdstraat van Vissoie rijden moet mijn nonkel Frans, die ook al jaren door Wallis zwerft samen met zijn vrouw Suzan, me voorrang verlenen.  We nemen beiden de weg naar Grimentz.  We belanden in “Le Mélèze” waar we bier drinken en over de bergwereld praten in plaats van de finale van het vrouwentennis, in Wimbledon te volgen.  Na een uurtje of twee zie ik Astrid, een leerling van onze school, die op dat moment deelneemt aan het meisjeskamp, langs het raampje voorbij huppelen.  Ik roep haar binnen.  We vernemen via haar dat ze morgen ook op tweedaagse naar Cabane de Moiry trekken.  We stellen voor om hun tweedaagse iets avontuurlijker te maken met een overschrijding van Glacier de Moiry in ruil voor een slaapplaats.  Ons bestelde avondeten wordt opgediend door dezelfde dienster als in 1998.  Toen keken we hier na elke beklimming naar het WK voetbal in Amerika.  Met mijn ouders, nonkels, tantes en klimvrienden, die in de vallei waren, bekeken we hier de finale.  We zagen hoe de Fransen het WK wonnen.  Ik schrik even wanneer blijkt dat de dienster me nog kent.  We eten voor de eerste keer sinds we België verlieten steak friet.  Het smaakt.

De zon verdwijnt achter een wolk.  Mijn gezicht is onbedekt en krijgt het kouder dan mijn lichaamsdelen onder de slaapzak.  Ik vloek als ik de grootte van de wolk zie die voor de zon hangt.  Mijn blik glijdt langzaam naar de Pointes de Moutri over de Glacier de Moiry naar de Pigne de la Lé en zo naar de Cabane de Moiry.  Ik rol mijn slaapzak op, start het gevecht met de compressiezak, laat de lucht uit mijn slaapmatje vloeien, rol het op en neem alles onder de arm richting auto.  Ik maak me zorgen om mijn auto.  Na het ontbijt in Grimentz zijn Nick en ik naar hier gereden om het meisjeskamp op te wachten.  Het duurde een tijdje vooraleer de motor aansloeg.  Nu liggen we al drie uur in een alm naast het gletsjermeer van Moiry aan de voet van de gletsjer.  Ik gooi mijn spullen in de auto.  Na een aantal sleutelomhalen, krijg ik de motor in gang.  In de verte zien we de meisjes onder leiding van kampleider Jan Spruyt ons naderen.  We haken ons wagonnetje in en laten ons meezuigen over de morenerug van de Glacier de Moiry. 

Iedereen krijgt een plaatsje in de touwgroep.  Als écht iedereen met elkaar verbonden is, zet ik de eerste passen op de gletsjer, die zich normaal uitstekend leent tot spectaculaire en veilige overschrijdingen.  Ook vandaag is dat zo, al is hij erg papperig geworden.  Het feit dat de klok al drie uur heeft geslagen, heeft daar alles mee te maken.  Ploeterend bereiken we de andere zijde van de gletsjer.  Velen sterven op de steile moreneklim naar de hut, maar de vriendelijke ontvangst door de gardien en het dorstlessende water maken veel goed.  Het avondmaal smaakt heerlijk.

Voor ik onder de dekens kruip, lees ik nog wat in een folder die ik in de hut vond.  Op de voorpagina staat een foto van de hut en volgende tekst :  "Moiry, 1924 – 1999, plaquette souvenir à l’occasion du 75e anniversaire de la construction de la cabane."

 

Mijn gedachten mijmeren weg bij het zien van de foto’s.  Ik beantwoord mijn nieuwsgierigheid door het lezen van bijhorende tekst:

Kort na de oprichting, in 1907, van de sectie Montreux kwam er de wens een eigen cabane te hebben.  Vanaf 1911 werd er een commissie samengesteld die de plannen uittekenden.  De keuze van de plaats waar de cabane moest komen was vaak stof tot gepassioneerde discussies.  Men praatte van Arpitettaz, Tracuit, Tourtemagne, Grisons en … Moiry.  De centrale commissie van de Club Alpin Suisse wilde dat de sectie van Montreux hun cabane onderbracht in het hotel Weissmies of cabane Bétemps.  Maar dank zij het opportunisme van de Montreuse sectieleden werd de site van Moiry uiteindelijk toegewezen.  In 1914 en 1915 gaan twee delegaties van de sectie op verkenning in deze vallei.  Toch is het wachten tot 1924 voor de constructie van de cabane.  Tijdens de WO I (1914 – 1918) prefereert de Club Alpin Suisse geen nieuwe cabanes meer te bouwen.  Het licht wordt op groen gezet in 1923.  De cabane wordt 12 oktober 1924 ingewijd. 

 

 

De eerste gardien is Joseph Salamin.  Maar na drie weken besluit deze al dat het niet zijn ding is en het beheer van de cabane over te dragen aan zijn kleine broer Jean-Baptiste Salamin.  In 1947 krijgt de cabane haar eerste renovatiebeurt te verwerken.  In 1964, na veertig jaar trouwe dienst, geeft Jean-Baptiste de pijp aan Ignace Salamin.  Spijtig genoeg besluit deze sympathieke gids uit Grimentz na een bergongeval er in 1975 mee te stoppen.  Zijn zoon Etienne Salamin neemt het roer in handen samen met zijn vrouw, zoon en dochter.  Tot op heden vergast deze familie ons nog steeds in hun cabane.

 Cabane de Moiry in 1924. 

 

 

Ik vouw het foldertje dicht en ik wens Etienne een goede nacht.  Ik lig aan het uiteinde van de lager.  Mijn handen voelen de stenen van de hut.  De fotoreeks uit het foldertje flitst een paar keer voorbij tot mijn batterij overgaat in slaapfunctie.  Morgen trek ik voor de vierde keer naar de Pigne de la Lé.  Ik heb een hele nare band met deze berg, een mengelmoes van gevoelens.

 

26 juli 1994, normaalroute.

De pot schaft worst met zuurkool en aardappelen.  Het is geen gastronomisch maar wel een krachtig diner.  Af en toe vis ik een dennennaald uit mijn zuurkool.  Die dingen kruipen tussen je eten, in je slaapzak, tent en schoenen,…  Het is de logische consequentie van ons prachtig, afgelegen kampeerplekje in het bos i.p.v. op de campingweide van Grimentz.  De weide en het bos worden gescheiden door een klein kabbelend bergbeekje.  Net achter het beekje, tussen de bomen ontdekten we twee vlakke, open plaatsen om onze tenten neer te poten.  Het zachte bosklimaat compenseert ruimschoots de kleine ongemakken.  Ik vertoef graag op deze camping.  Als klein jongetje kwam ik hier met ma dammetjes bouwen.  Hoeveel bosspelen hebben we hier ooit gespeeld en hoeveel worsten geroosterd tijdens onze jeugdkampen?  Nu is het hier heerlijk vertoeven tussen twee beklimmingen door, zonder de band met de natuur te lossen.

Bruno wekt me.  Het is 26 juli 1994, 2.30 uur.  We kleden ons snel aan, drinken thee en vertrekken.  Bruno rijdt met Dieter en mij naar het einde van het “Lac de Moiry”.  In het pikkedonker zoeken we onze weg naar Cabane de Moiry.  We drinken thee op de bank naast de hut als het nog geen 5.00 uur is.  Een Franse alpinist, die als eerste de hut verlaat en kennis maakt met de ijskoude ochtend, kijkt ons verbaasd aan.  Bruno neemt ons op sleeptouw.  Dieter bezet de tweede knoop en ik krijg de laatste knoop toegewezen.  Dit is mijn tweede zomer waarin ik bergen bestijg.  Ik heb er nu één jaar klimschool opzitten en proef het verschil met vorige zomer.   Ik ken de gevaren van de bergsport en de grenzen van mijn lichaam in de bergen.  Deze kennis geeft me meer ruimte tot intense beleving.  De beklimming die we willen maken van de Pigne de la Lé over de  normaalroute is “facile”.  Het is een mooie gletsjerwandeling waarbij we met veel aandacht de talrijke grote kloven moeten oversteken of ontwijken.  Zelfs wanneer een sneeuwbrug over een gletsjerkloof breekt onder mijn voeten en ik de diepte inschiet (gelukkig blijf ik ter hoogte van mijn navel in de sneeuw steken), breekt er geen paniek los.  We bereiken vlot de top.  Onze uitgelatenheid wordt door andere Vlamingen opgemerkt.  We maken kennis met een touwgroep van drie klimmers, waaronder één priester: Stan Dries.  We kletsen wat op de top, drinken er hete thee en nemen wat foto’s.  Een topmoment dat ik nog heel helder kan terughalen.  Dan keren we elkaar de ruggen toe: zij dalen via de noordgraat af en wij vervolgen zuidwaarts naar een topje op weg naar de Grand Cornier, Les Bouquetins.  Het wordt een gletsjerwandeling tot enkele meters van de top.  Ijs en sneeuw gaan over in rotsblokken.  Een steenmannetje met een houten driepikkel duiden erop dat we de top bereiken.  Het zicht in de gletsjerkom van Mountet (900 meter lager) en het zicht op de Grand Cornier zie ik nog zo voor me. 

 

 

 

 

 

 

Links: Jeroen      Rechts: Dieter, Bruno Croonenborghs en ikzelf op de top van de Pigne de la Lé (foto Stan Dries).

 

1 juli 1998

Sint-Elmus

Samen met een twintigtal voedselpakketten trekken we naar Cabane de Moiry.  Wij te voet, zij per helikopter van Air-Glaciers.  Wij bereiken eerst de hut.  De harde wind noopt de heli aan de grond te blijven.  De voedselpakketten zijn die avond niet toegekomen maar gelukkig had de gardien nog een voorraadje eten.  Een enthousiaste Hollander houdt ons tot aan het avondeten zoet met heldenverhalen.  Hij loopt de deur uit met de woorden: “flikker morgen maar niet van die berg af, anders hoor ik nog van jullie op de televisie, domme Belgen.”  We glimlachen naar hem en zien hem stap voor stap het dal in wandelen.  Wim Roelants en ik zetten de volgende morgen onze eerste stappen richting de noordgraat van de Pigne de la Lé.  Het pad achter de hut voert ons mee tot het sneeuwveld naar de graat.  We zien hoe de hemel grijs kleurt. Ik hef mijn voeten uit de sneeuw, plaats ze op de rotsen van de graat, ik kijk over de kam en zie hoe het slechte weer huishoudt in de vallei van Zinal.  Donkere wolken worden vanuit het westen aangevoerd en pakken samen rond de 4000 meter toppen.  We stellen ons de vraag of we wel kunnen vorderen in dit slechte weer. Wat nu?   We beslissen samen om enkele minuten tegen een grote rotsblok te gaan zitten, juist onder de graat, en het weer te observeren.  Alvorens dat stukje af te dalen, geef ik Wim mijn fototoestel met de vraag om een foto van me te nemen.  Als Wim teken geeft te willen trekken, steek ik mijn ijsbijl de lucht in.  Ik krijg een geweldige stroomstoot door mijn lichaam.  Musketons, ijzeren ritsen aan mijn kledij,…het licht allemaal op.  Uit mijn ijsbijl komt een lichtblauwe vuurbundel van enkele centimeter.  Mijn haar staat recht omhoog.  Sint-Elmus houdt me even in zijn greep.  Snel dringt het gevaar tot me door en spring ik van de graat tot bij Wim.  Hij heeft dit gevreesde natuurfenomeen gezien door de lens van mijn fototoestel.  Ook hij staat even stijf van de spanning en heeft daardoor niet de knop van mijn fototoestel kunnen indrukken om een foto te nemen.  Als het nu bliksemt zijn we eraan, schiet door mijn hoofd.  We rennen naar beneden.  In dertig minuten bereiken we de hut.  Tijdens deze “bliksemsnelle” afdaling denk ik terug aan onze juiste beslissing om niet direct op de graat te klimmen.  Stel dat we door het naar beneden houden van onze ijsbijlen geen St-Elmusvuur hadden ontvangen en zo hadden doorgeklommen?  Stel dat we op de graat het Sint-Elmusvuur hadden ontvangen?  Hadden we dan ook zo gemakkelijk ontkomen?  En waarom klimt de gids met zijn klant gewoon verder op een berg naast de onze?  Primeert geld boven de veiligheid in de bergsport?  Is de klant zich bewust van het gevaar? 

 

Jeroen op weg naar de col van de Pigne de la Lé.  Mooi zicht op de noordgraat!

Ze bereiken de top over een graat die vierhonderd hoogtemeters overwint.  Wanneer ze in de hut aankomen (het is de enige touwgroep die gisterenavond samen met ons in de hut was), vertel ik de gids over onze ontmoeting met Sint-Elmus en vraag ik hem waarom hij verder klom.  Hij praat verder met zijn klant en de gardien van de hut en hij gunt mij blik noch woord.  Ik draai me woest om en daal af.  Tijdens deze afdaling groeit de overtuiging dat we de juiste beslissing namen en dat we op een verantwoorde manier met elkaar in de bergen klimmen.  Niet de topmomenten vormen ervaring, wel de wegen ernaartoe ook al worden deze wel eens versperd door allerlei factoren.  Met Wim heb ik vele goede beslissingen genomen en steeds op een aanvaardbare en veilige manier geklommen.

 

11 juli 1998

tentbivak

Toen dagen later staat mijn tent in de achtertuin van de hut.  We hebben een prachtig zicht op de gletsjer.  Met Bart Sap sjouwde ik al ons kampeermateriaal tot op 2800 meter hoogte.  We willen morgen terug de top van de Pigne de la Lé beklimmen over de noordgraat.  Ik heb met Bart nog nooit een top beklommen.  We beleefden alleen klimplezier in de Belgische Ardennen, hangend aan één of ander rotsmassief.  Na een begrafenisdienst in Turnhout ontmoette ik Bart aan de uitgang van de kerk.  We spraken er af naar één van zijn goede connecties in Nederland te rijden: een grote bergsportwinkel.  Ik kreeg als vriend van Bart onmiddellijk een expeditietent aangeboden voor de helft van de prijs.  Het heeft nog wel een uurtje geduurd vooraleer ik de aankoop deed want de helft van de prijs van een expeditietent is toch een hele hap uit het budget van een student.  Ik was erg fier op mijn aankoop die nu opviel tussen de grote rotsblokken van de Moiryvallei met als achtergrond de grillige gletsjerbreuk van Glacier de Moiry.  Vele klimmers komen aan de achterkant van de hut onze bivakplaats aanschouwen.  Ik hou van deze bivaktoestanden.  Het brengt me veel dichter bij de natuur en de bergwereld dan een overnachting in de hut waar allerlei culturen binnenstromen.  Intens beleef je het geluk wanneer je een zachte en vlakke slaapplaats vindt of wanneer je water klaar is om iets in te bereiden of wanneer je een stuk ijs van de gletsjer hoort scheuren en merkt dat het niet op je tent is terecht gekomen. Maar het kan ook tactisch belangrijk zijn.  Vele Zwitserse berghutten liggen erg ver van sommige toppen verwijdert en de aanlooproutes naar graten, gletsjers of wanden zijn erg ver.  Met een bivak bepaal je de ideale afstand tot de top.  Tegenover dit intens geluk en het tactische aspect staat een zware fysieke belasting.  Het is telkens een overweging.

Vinnie en Eddie, onze twee klimpartners, staan onverwacht aan onze tent te snokken.  We hadden ze niet verwacht.  Het heeft immers de hele nacht geregend en het slechte weer hangt nog steeds in het dal.  Vinnie en Eddie hebben de nacht doorgebracht in de hut.  Ze laten er weinig gras over groeien en ze vertrekken naar de top.  Ik wind me behoorlijk op.  Het weerbeeld is een “copy-paste” van tien dagen geleden.  Ik zou wel een ezel zijn om hierin terug naar boven te trekken.  Vinnie en Eddie hebben hier geen oren naar.  Bart wel en hij blijft nog even bij me in de tent liggen.  We vertrekken naar de top als het weer verbetert.  Maar zover komt het niet die dag.  Ons geduld is op. We breken onze bivakplaats op en dalen af.  Eddie en Vinnie hadden al terug moeten zijn van de top.  Uren later in het dal ontmoetten we elkaar terug.  We waren uiteengeslagen door een andere beslissing.  Eddie en Vinnie haalden de top, maar hebben uren gewacht op de graat alvorens te vertrekken.  Wij hebben een onbeschrijflijke bivak achter de rug zonder top. 

 

10 juli 2001

achtertuin

Voor de vierde maal loop ik naar de Pigne de la Lé.  Ik ken de weg beter dan in sommige delen van mijn eigen dorp.  Ik zoek naar sommige markante stenen met verfstippen.  Deze stenen duiden me eerder op een thuisgevoel i.p.v. een juist routegevoel.  Het weer is equivalent aan de vorige twee pogingen.  Ook dit geeft me een bekend gevoel.  De achtertuin van de Moiry is de mijne!  Ik voel me gesterkt door al mijn ervaringen.  De wolken kleuren donkergrijs. 

We besluiten snel naar de top te klimmen.  Ik laat Nick voorklimmen.  Nick klimt beter dan hij zekert.  Hij legt veel gevoel in de klim: pikt er de beste passages uit, geeft onveilige plaatsen op de graat door, zoals losse stenen, en hij weeft het touw mooi tussen de rotsen.  De snelheid ligt hoog en we klimmen erg simultaan.   De graat bestaat uit grote, goed vastliggende blokken.  De helft van hen is nog bedekt met een laagje sneeuw.  Ik maan voortdurend aan op snelheid. 

Nick klimt voorzichtig tot de topgraat.  Het begint lichtjes te sneeuwen.  We bereiken over de erg mooie graat de top van Pigne de la Lé.  Een grote steenman wijst ons hierop.  Ik krijg dezelfde beelden te zien als in 1994.  De gezellige sfeer in de zon heeft wel plaats geruimd voor een topmoment met twee, terwijl koude sneeuwvlokken ons teisteren.  Ik zoek onder ons tevergeefs naar de Petit Mountet, die pas is afgebrand na een gasexplosie.  De hut was 101 jaar oud en werd uitgebaat door de kinderen van David Melly, de gardien van Cabane de Tracuit.  Ik kan de plaats niet lokaliseren.  Ik neem snel nog wat foto’s en ga vliegensvlug terug over de graat naar de hut.

Klimschema

6.38 uur

2855 m

Hut

7.00 uur

2955 m

Gletsjer

7.30 uur

3165 m

Col du Pigne

8.00 uur

3260 m

Graat

8.30 uur

3360 m

Topgraat

8.45 uur

3395 m

Top

9.30 uur

3290 m

Graat

10.00 uur

3215 m

Graat

10.30 uur

2850 m

Hut

We zijn vier uur onderweg geweest.  Een korte klim dus én volgens het gidsje.  Ik bestel een lekker warm soepje en twee postkaarten van het Onze-Lieve-Vrouwbeeld, dat op de top van de Pointe Mourti staat voor nonkel Frans.  Deze beklimming wil ik al jaren maken en ik hoop er geen vier pogingen voor nodig te hebben.  Bruno vertelde me ooit dat hij dacht een verschijning te zien.  Hij had geen weet van het beeld.  Op de graat keek hij hoever hij van de top verwijderd was, toen Onze-Lieve-Vrouw verscheen.  Bruno loste bijna zijn greep van het verschieten.  Dit beeld wil ik al jaren in mijn gedachten griffen. 

We zitten naast elkaar in de auto.  Ik draai de sleutel elke twee minuten om.  De motor van mijn bestelautootje geeft geen enkele indruk vandaag nog te willen starten.  Nick tuurt voor zich uit richting dal.  We kijken beiden uit naar het dal na twee dagen hooggebergte.  Het duurt vijfenveertig minuten tot ik de motor aan de praat krijg.  In mijn achteruitkijkspiegel zie ik zwarte rook maar het zou eigenlijk de Moirygletsjer moeten zijn.  Voor ons ligt gelukkig nog steeds het dal dat nu dichterbij komt.

’s Namiddag geniet ik van een tasje koffie bij de paters van ons college, die in Ayer verblijven op een chalet met de prachtige naam: “Chantebise”.  Je hebt vanop het balkon een mooi zicht op de Besso en de Obergabelhorn, maar deze namiddag kijken we naar de Ronde van Frankrijk.  De rit loopt van Antwerpen tot Huy.  Heel België staat langs de kant van de weg en Marc Wauters rijdt in de gele trui door zijn achtertuin.  Die achtertuin, het platte België, is de zijne!

 

 

 

 

De Route

Groen: gemarkeerd pad tot aan gletsjer

Blauw: normaalroute (oppassen voor enkele grote kloven)

Rood: NNW-graat

 

Berg met heel knap uitzicht.

Vertrekpunt: Cabane de Moiry.

Tijd:

Blauw: normaalroute => 1,5 uur

Rood: NNW-graat => 1,5 uur

Eerste beklimming:  onbekend.  Deze top wordt al erg lang beklommen.

 

Kies een nieuwe beklimming uit volgende categorieën:

 

 

 

 


 

Reacties, vragen en suggesties i.v.m. deze site zijn altijd welkom!

Gewoon even mailen!

jeroencaers@gmail.com


Copyright © 1998 - 2008  Jeroen Caers

Laatste update: 30 maart 2010