Mittelrück - Pizzo di Locarno (3363m)

   

dinsdag, 24 juli 2001

Schone schijn

Het terrein naar de pas is verraderlijk glad.  Het is een wolkenloze nacht en dus ijskoud.  Het smeltwater dat van de sneeuwplakken op de flanken van de Portjenhorn zich een weg naar het dal zoekt, is nu verijst.  We moeten op onze hoede zijn om niet van het alpiene pad te schuiven, dat van steenman naar steenman loopt.  We zijn op weg naar de Mittelrück.  En omdat deze berg op de grens met Italië ligt, mag hij ook Pizzo di Loranco worden genoemd.  “Rück” slaat op een rug of een rotsgraat.  Mittelrück is dus een rotsgraat tussen Sonnighorn (zuid) en Portjengrat (noord).  Zowel de oostwand als ook de westwand worden in het midden doorbroken door een graat, die loodrecht op de Mittelrück staan.  De westgraat loopt naar Zwitserland, de andere brengt je in Italië.  Gisteren tafelden we in de hut met twee andere klimkoppels en toevallig ook twee koppels in het leven.  Het ene koppel was Zwitsers, beiden gids.  Ze vertelden ons over de overschrijding van de Portjengrat.  Het andere koppel was Engels, aangenaam en bescheiden.  Ze vertelden over de overschrijding van de Dri Horlini.  “Wij gaan morgen voor de Mittelrück”, trachtte ik in te brengen.  Niemand aan tafel ging verder in op onze plannen.  De Mittelrück is vanuit de Almagellerhut een miniatuurberg.  De aanlooproute is veel te lang.  De berg is erg steenslaggevaarlijk en amper 3363 meter hoog.  Waarom trekt hij mij dan zo aan?  Waarom wil Vinnie hiervoor zonder één afwijzend woord mijn klimpartner zijn?  Ik zag de Mittelrück voor het eerst in 1999.  De maan nestelde zich hoog boven de top.  Zijn trapeziumvorm liet mij niet meer onberoerd.  Schone schijn?

We houden er een strak tempo op na.  Een vroeger vertrokken duo halen we snel in.  “Naar Mittelrück?”, roep ik hen toe.  “Nee, naar Italië!”  Rond 7.00 uur bereiken we de Sonnigpass.  Ik schrik van de grillige vorm van de graat en van het losse puin.  Het is een schril contrast met de vorm die we vanuit de Almagellerhut te zien krijgen.  Het bloklopen op de onderkant van de graat vormt voor ons geen enkel probleem.  We hebben een overvloed aan verticale bewegingsmogelijkheden.  Maar na elke gewonnen hoogtemeter smelten deze bewegingsmogelijkheden als sneeuw voor de zon.  De graat wordt erg smal en de losliggende rotsblokken worden kleiner.  Sommige blokken liggen zo los op de graat dat ze elk moment kunnen emigreren naar Italië.  Ondertussen genieten we van de zon die stilaan de Alpen lichter kleurt.  Ik wissel mijn blik voortdurend af: kijken waar ik mijn voeten zet op deze gevaarlijke graat en genieten van de prachtige zonsopgang.  Mijn ogen vinden het Bivacco Città di Varese, dat tegen de steile Italiaanse oostgraat van de Mittelrück plakt.  De graat richt zich steiler op en wandelen wordt klimmen en klauteren.  Voor ons verschijnen grote rotstorens die we niet veilig kunnen oversteken.  Ze zijn smal, onbetrouwbaar en ze blokkeren onze doorgang naar de top.  Ik herinner me de tekst in ons alpenbijbeltje: ”…suivre la crête de blocs et grosses dalles avec des déviations à gauche”.  Ik daal vijf meter af in de brokkelige westwand.  Al traverserend onder de zuidgraat vorderen we richting top. 

Soms komen we terug op de graat, maar veelal vertoeven we iets eronder, in deze koude noordwand.  Om helemaal tot een crescendo te komen, liggen er onder de niet te passeren rotstorens spekgladde ijsveldjes, die je bij een slippartij meevoeren tot onderaan de bergwand.  Onze metgezellen die zogezegd naar Italië trokken maar ons gewoon volgden, geven er de brui aan.  Terwijl ze terugdraaien, denken wij over de veiligste manier om dit euvel te overwinnen.  Met stijgijzers het ijsveld traverseren?  Over de rotstoren op de graat klimmen of op de rug van het ijsveld lopen en met onze handen houvast zoeken onderaan de rotstoren?  Ik steek een friend in een rotsspleet, pik er een HMS aan, plaats mijn voeten parallel op de rug van het ijsveld en daar ga ik dan.  Met kleine zijwaartse bijtrekpasjes en mijn ene hand stevig vasthoudend aan de rotswand, de andere rond mijn pickelkop, traverseer ik naar de overkant van het ijsveld.  Vinnie zekert ondertussen met de grootste aandachtigheid.  Als er aan mijn voeten een uitstekende rotspunt verschijnt, weef ik er snel het touw omheen als tussenzekering.  Met mijn pickel hak ik treetjes in het ijs.  Ik vorder wat.  Ik duw nog een friend in een rotsspleet.  Weer hakken.  Zo bereik ik ongehavend de overkant van het ijsveld.  Vinnie volgt probleemloos.  De beklimming gaat verder en de tijd heeft ondertussen niet stilgestaan.  Het is 9.30 uur.  Plots kan ik niet meer verder klimmen.  De wand is te steil en te broos.  Vinnie klimt tot bij mij.  “Hoeveel meter staan we onder de top?, vraagt hij me.  “Het kan niet ver meer zijn!”, laat ik hem weten.  Voor mij merk ik een zeer gladde couloir op.  Leidt deze naar de top?  Moeten we terug?  We hebben het nog snel over de cumullussen die zich aan de hemel vormen.  We mogen niet twijfelen.  Afdalen of door deze objectieve gevaarlijke couloir klauteren.  “Ik wil het proberen!”, roep ik naar Vinnie.  Snel klim ik twee meter naar boven.  Ik stop even omdat heel de boel los zit.  Na even zoeken vind ik twee handgrepen.  Ik reken op Vinnie, die naast de couloir staat, om me goed te zekeren.  Met mijn voeten trap ik stenen en gruis uit de couloir tot deze een beetje voeling hebben met de wand.  Ik trek me op aan beide handgrepen en plaats mijn voeten hogerop.  Ik wring me door twee rotsblokken en zoek naar verdere grepen in de wand.  Voor mij staat echter een toren van rotsblokken.  Ik schreeuw mijn vreugde uit.  Vinnie straalt en klimt snel naar me toe.  Op de top is er een hoog euforiegehalte.  Doch erg kort.

 

Jeroen (rechts) en Vinnie (links) naast prachtige topsteenman.

 

Hoe moet het terug?  Langs dezelfde brokkelige graat afdalen?  Door dezelfde couloir en over de rug van hetzelfde ijsveld de weg naar beneden trekken?  Of over de noordgraat?  Of dalen we af over de al even brokkelige westgraat waar vorig jaar een Nederlandse klimmer verongelukte?  Vorig jaar vernam ik dit treurige bericht in Le Nouvelliste.  Gisteren vroeg ik de gardien nog even naar het ongeval.  Hij vertelde me dat een naklimmer een grote steen op zijn hoofd kreeg.  De woorden van de  gardien zweefden regelmatig tijdens de beklimming door mijn hoofd.  Ik probeerde me het ongeluk in te beelden.  Het was niet zo moeilijk want ik liep immers in hetzelfde decor. 

De westgraat is breed en gemakkelijk af te dalen over de eerste tientallen meters.  Verder is de situatie onduidelijk.  Het gemakkelijke begin naar beneden geeft ons voldoende verleiding om hier op in te gaan.  We keren onze neuzen westwaarts en we verlaten voor het eerst in uren de grenslijn tussen Italië en Zwitserland.  Wat we hopen, blijkt niet te kloppen.  Na het gemakkelijke begin van de afdaling versmalt de graat zienderogen en krijgt het terrein weer een niet erg betrouwbaar karakter.  Het wordt uiteindelijk zo broos dat we van de graat willen.  Ik vind snel een veilig afzeilpunt.  Voor Vinnie is afzeilwerk van een rotwand in de alpen nieuw.  We oefenden het reeds tientallen keren in onze Condroz, maar dit is toch wel spannender.  Ook voor mij.  We offeren wat bandlussen op, die we rond een groot rotsblok draaien en we bevestigen hieraan het touwmidden.  Ik glijd twintig meter naar beneden tot ik een goed plekje vind in een minder steil stuk.  Ik schuif een stukje op zodat ik geen stenen, die Vinnie eventueel kan losmaken, uit de wand op mijn lichaam krijg.  We binden ons terug in en vervolgen de afdaling over gruis en harde sneeuwveldjes.  We zijn dolblij als we het rotseilandje op de Rotblattgletsjer na zoveel uren terug bereiken.  Maar voor Vinnie is deze blijdschap van zeer korte duur.  Hij heft de handen naar zijn haar, vloekt het uit en gaat krom achterover op een grote rotsblok liggen.  Ik kan niet raden wat hem plots bezielt.  “Vinnie, wat scheelt er”, vraag ik hem voorzichtig.”  “Mijn fototoestel!”, schreeuwt Vinnie me toe.  “Het ligt nog op de berg!”.  “Toen we een afzeil prepareerden heb ik het even uit de weg gelegd op een rotsblok en ik ben het daar vergeten door de spanning van het moment.”  “Het toestel tot daartoe maar de dia’s van twee prachtige dagen klimmen ben ik kwijt.”, klinkt het droevig.  Vinnie weet maar al te goed dat terugklimmen niet haalbaar is.  Na enige tijd verzoent hij zich bij het materiële verlies en neemt hij alle mooie herinneringen aan deze twee prachtige dagen mee naar het dal.  Ik ben ervan overtuigd dat hij van deze 36 diabeelden er nog veel in zijn hoofd heeft zitten. 

Dezelfde dag bereiken we nog het dal en zakken we af naar madammeke in Stalden waar we onze vaste zimmer frei hebben.  Ik denk heel de avond terug aan de beklimming van dit kleine, mooi ogende bergje dat tussen zijn twee grote broers niet veel voorstelt.  Een “even – snel – mee – doorpikken”- topje.  Zo hebben we na vandaag geleerd dat geen enkel topje snel mee door te pikken valt en dat er achter elke beklimming, hoe klein dan ook, addertjes onder het gras kunnen schuilen.  Schone schijn?  Maar elke kleine beklimming kan resulteren in zeer grote en waardevolle herinneringen. 

 

 

 

De Route

 

Vertrekpunt: Almagellerhütte

Tijd: 3 uur voor de beklimming.

Eerste beklimming: 25 juli 1887, W.M. Conway, George Broke, G.H. Rendall.

 

Beklimming die steenslaggevaarlijk kan zijn en niet te onderschatten is in lengte.  Eén jaar voordien verloor op deze graat een jonge Nederlandse klimmer het leven door een steen die op hoofd viel.

Nuttige links

Almagellerhuette   (prachtig gelegen hut met vriendelijke gardien)

Kies een nieuwe beklimming uit volgende categorieën:

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Reacties, vragen en suggesties i.v.m. deze site zijn altijd welkom!

Gewoon even mailen!

jeroencaers@gmail.com


Copyright © 1998 - 2008  Jeroen Caers

Laatste update: 30 maart 2010